Het probleem is niet alleen hoeveel de staat uitgeeft
In het Britse debat over overheidssteun gaat veel aandacht naar uitkeringen aan huishoudens. Minder zichtbaar is de steun aan ondernemingen: subsidies, belastingkortingen, leningen, garanties, energiecompensatie en voordelen in regelgeving. Het gevolg is een bestuurlijk raadsel. Een minister kan een regeling verdedigen als investering, terwijl een belastingbetaler vooral een rekening ziet. Zonder gezamenlijke boekhouding zijn beide beweringen moeilijk te toetsen.
Het recente debat over zogenoemd corporate welfare legt daarom een meetprobleem bloot. Het officiële subsidiecijfer omvat niet automatisch fiscale uitgaven, garanties of preferentiële voorwaarden. Ook worden gegevens door verschillende departementen bijgehouden. Daardoor kan dezelfde onderneming steun uit meerdere hoeken ontvangen zonder dat een parlementariër of onderzoeker het volledige pakket eenvoudig kan reconstrueren.
Een nieuw voorbeeld: goedkopere stroom voor industrie
De Britse regering wil vanaf 2027 met de British Industrial Competitiveness Scheme de elektriciteitskosten van bepaalde fabrikanten verlagen, tot maximaal 40 pond per megawattuur. De regeling richt zich op energie-intensieve bedrijven in aangewezen groeisectoren en maakt uitzonderingen op onderdelen van de energierekening. Aanvragen kunnen volgens de officiële richtlijnen in oktober en november 2026 worden ingediend. Dat is concreet beleid, maar nog geen bewijs dat het doel wordt gehaald.
Een goede beoordeling begint daarom vóór de eerste betaling. Welke bedrijven krijgen voordeel, welke banen of investeringen zouden zonder regeling niet bestaan, en hoeveel kosten de vrijstellingen voor andere afnemers? Ook moet duidelijk zijn of een onderneming tegelijk een lening, belastingvoordeel of andere energiemaatregel ontvangt. Anders wordt een regeling beoordeeld alsof zij op zichzelf staat, terwijl de ontvanger een stapel voordelen krijgt.
Transparantie is geen vijand van industriebeleid
De Britse Spending Review koppelt groei aan forse publieke investeringen in onderzoek, infrastructuur en financiële instellingen. Dat kan rationeel zijn: sommige projecten hebben lange terugverdientijden of leveren kennis op die bedrijven niet alleen kunnen financieren. Maar juist bij zulke keuzes hoort een openbare nulmeting. Een subsidie kan tijdelijk zijn, een lening moet worden terugbetaald en een belastingkorting kan een permanent gat in de schatkist worden. Die categorieën mogen niet in één ondoorzichtige mand worden gestopt.
Van gunst naar contract
De praktische oplossing is een register per regeling en ontvanger, met instrument, jaarlijkse kosten, looptijd, doel, nevensteun en meetbare uitkomst. Na een vooraf bepaalde periode volgt een onafhankelijke evaluatie: voortzetten, aanpassen of stoppen. Zo wordt steun geen automatische beloning voor goed lobbywerk, maar een contract met de samenleving. De vraag is dan niet of elke vorm van bedrijfssteun verkeerd is. De vraag wordt controleerbaar: welk probleem lost deze maatregel op, tegen welke prijs en met welk resultaat?

