Het kerkhof van het Oost-Europees socialisme: hoe de geplande economie instortte


Het kerkhof van het Oost-Europees socialisme: hoe de geplande economie instortte


New York, 12 oktober 1960. De Sovjet-leider Nikita Chroestsjov staat briesend bij het gestoelte van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Hij trekt zijn schoen uit, slaat hard op de tafel en schreeuwt naar de westerse delegaties: "Wij zullen jullie begraven!" Maar nog geen dertig jaar later lag niet het kapitalisme, maar het socialisme in Oost-Europa onder de zoden.

In een artikel op het platform van de Foundation for Economic Education (FEE) analyseert auteur Alex Tokarev hoe het socialistische experiment in het Oostblok fataal misliep. Waar het kapitalisme vertrouwt op ondernemerschap en marktprijzen, vertrouwde het socialisme op centrale planning en de vermeende wijsheid van bureaucraten. Het resultaat was een totale economische ondergang.

Strenge planning en verplichte specialisatie

Binnen vijf jaar na de bezetting van Oost-Europa bond Moskou de economieën van Albanië, Bulgarije, Tsjechoslowakije, de DDR, Hongarije, Polen en Roemenië aan zich via de Raad voor Wederzijdse Economische Bijstand (Comecon). In 1978 traden ook Mongolië, Cuba en Vietnam toe. Privébezit werd onteigend, particulier initiatief werd strafbaar gesteld en winst werd een vies woord.

Marktmechanismen maakten plaats voor centrale planning. Bureaucraten moesten prijzen en lonen gissen, wat leidde tot chronische tekorten en gebrekkige producten. Bovendien moesten Comecon-leden zich verplicht specialiseren. Hongarije produceerde Ikarus-bussen: oncomfortabel, gevaarlijk en met giftige uitlaatgassen in het passagierscompartiment. Toch werden er honderdduizenden van verscheept. De DDR maakte de Trabant en Wartburg met een carrosserie van geperst materiaal. Wie zo'n auto wilde, moest soms wel 15 jaar wachten.

Steenkool, heftrucks en gebrek aan concurrentie

In Polen liep de politieke sturing uit op een debacle. Het land werd een van de grootste steenkoolproducenten ter wereld, met een piek van 200 miljoen ton in 1979. Maar toen overwerkte en slecht betaalde mijnwerkers in 1980 gingen staken, stortte de productie in. Polen kon zijn schulden aan westerse banken niet meer betalen en de export naar Comecon-landen viel binnen twee jaar met 80 procent terug.

Ook in Tsjechoslowakije, dat bij de machtsovername door Stalin nog een geavanceerde industrie had, verdween innovatie door het gebrek aan concurrentie. In Bulgarije produceerde de staat heftrucks van het merk Balkancar. De overheid noemde het bedrijf een wereldkampioen, maar Comecon-landen kochten ze alleen omdat er geen alternatief was. Om westerse valuta binnen te halen, werden de machines in het Westen zelfs met verlies verkocht.

Rantsoenering en het Cubaanse debacle

De Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu probeerde zijn land economisch onafhankelijk te maken door massaal te investeren in zware industrie. Om leningen bij westerse banken af te lossen, liet hij zijn eigen bevolking verhongeren. Roemenië exporteerde voedsel en goederen voor harde valuta, terwijl in eigen land elektriciteit, benzine en voedsel op de bon gingen.

Volgens Tokarev lag de levensstandaard in de Sovjet-Unie lager dan die in de VS tijdens de Grote Depressie. Voor een verouderde Moskvich-auto betaalde een Sovjet-burger in de jaren 80 drie jaar lonen. De gewone man wachtte jaren op een matige Lada, terwijl de bevoorrechte partij-elite ("nomenklatura") zich liet rondrijden in een Volga met chauffeur. De situatie liet zich samenvatten als: de arbeiders deden alsof ze werkten, en de overheid deed alsof ze hen betaalde.

Ook buiten Europa waren de gevolgen voelbaar. Cuba trad in 1972 toe tot de Comecon en werd gedwongen zich te specialiseren in rietsuiker. De Sovjet-Unie leverde in ruil olie, machines en voedsel tegen niet-marktconforme prijzen. Maar liefst 80 procent van de Cubaanse export ging naar het Oostblok. Toen de Sovjet-Unie instortte, viel het Cubaanse bruto binnenlands product (bbp) met ongeveer één derde terug—een klap die harder aankwam dan de Grote Depressie.

Toen voormalige socialistische landen in 1991 overstapten op marktconforme prijzen en converteerbare valuta, bleken hun producten verouderd, te duur of onbruikbaar. Tokarev concludeert dat de indrukwekkende productiestatistieken weliswaar een illusie van sterkte creëerden, maar dat een economie zonder marktprijzen en concurrentie onvermijdelijk haar eigen ondergang tekent.

Bron: FEE, Alex Tokarev

693.969 SRY
Vrij Nederland
Write your comment...

Comments

friedman

Vrij-libertaire laat zien waarom Nikita Chroesjtsjovs belofte om het kapitalisme te begraven mislukte: socialisme verving marktprijzen door expertcontroles. Friedman zou zeggen dat zonder winst en verlies planners niet weten wat schaars is of wat kopers willen. De Comecon-landen in Oost-Europa misten precies die prijsinformatie die vrijwillige ruil levert. Daarom verdween de USSR van de kaart terwijl markten met beperkte overheid bleven staan.

Even stil bij die vergelijking: als je het Oostblok echt als kerkhof neerzet, moet je ook hard maken wat wél werkte in die samenlevingen. Nu blijft het te makkelijk een moreel vonnis zonder nuance.