
Een strak ingerichte zaal in het Amerikaanse Senaatsgebouw. Voormalig topadviseur Anthony Fauci zit achter de microfoon en beroept zich ruim 111 keer op zijn zwijgrecht. Het is een bepalend moment dat de diepe kloof illustreert tussen de publieke beslistheid van gezondheidsautoriteiten en de wetenschappelijke onzekerheid achter de schermen. Volgens voormalig WHO-functionaris David Bell reikt dat wantrouwen inmiddels veel verder dan het coronabeleid uit het verleden.
In een analyse wijst Bell op de ambities van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldbank. Internationale instellingen vragen om tientallen miljarden dollars extra om toekomstige pandemieën te voorkomen. Maar nieuw wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de financiële onderbouwing van deze miljardenplannen op uiterst wankele pijlers rust.
Tientallen miljarden voor pandemiebestrijding
De WHO en de Wereldbank stelden in 2022, op verzoek van de G20, een jaarlijks budget voor van 31,1 miljard dollar voor de paraatheid en preventie van pandemieën. Ongeveer 10,5 miljard dollar hiervan moet komen uit buitenlandse hulp door rijkere landen. Lage- en middeninkomenslanden zouden jaarlijks circa 26 miljard dollar moeten bijdragen, terwijl veel van deze landen al gebukt gaan onder hoge schulden door de coronacrisis. Ter vergelijking: het totale reguliere budget van de WHO voor 2024-2025 bedraagt jaarlijks slechts 3,8 miljard dollar.
Volgens de internationale instanties levert elke geïnvesteerde dollar zichzelf ruimschoots terug. In welvarende landen zou het rendement op deze investeringen volgens hun modellen zelfs meer dan duizendmaal zo hoog zijn.
Kritiek op financiële modellen
Een recente studie van onderzoekers van de Universiteit van Leeds, gepubliceerd in het tijdschrift Health Economics, Policy and Law, haalt die berekeningen echter stevig onderuit. Volgens het Leeds-artikel zijn de meevallers en rendementen gebaseerd op misleidende aannames. De auteurs stellen dat de rekenmodellen van de WHO verkeerde vergelijkingen maken over het aantal verloren gezonde levensjaren ten opzichte van de drie grote infectieziekten: hiv, tuberculose en malaria.
Daarnaast richten de miljardenplannen zich voornamelijk op vaccins en farmaceutische producten. Er wordt nauwelijks geïnvesteerd in de basiselementen van volksgezondheid, zoals voeding, schoon drinkwater, riolering en hygiëne. Volgens Bell zijn het juist deze factoren die, samen met antibiotica en medische vooruitgang, sinds de Spaanse griep van 1918 de sterfte door pandemieën drastisch hebben verminderd.
Geld weggehaald bij bewezen zorg
Het Leeds-onderzoek benadrukt ook dat de WHO en de Wereldbank geen rekening houden met de nevenschade van strenge pandemiemaatregelen en de natuurlijke gedragsaanpassingen van burgers. Toch sluiten steeds meer overheden zich aan bij de gewijzigde Internationale Gezondheidsregeling en het aankomende WHO-pandemieverdrag. Volgens Bell heeft ook Australië de gewijzigde regels al ondertekend, staat het op het punt het pandemieverdrag te tekenen, en dreigt in september een politieke VN-verklaring die nóg meer geld vraagt — beloftes die steunen op de kostencijfers van de WHO.
Volgens Bell heeft deze koers grote gevolgen. Het geld dat naar farmaceutische bedrijven, onderzoeksinstellingen en internationale bureaucraten gaat, wordt weggehaald bij programma's die hun nut al hebben bewezen. De internationale financiering voor de bestrijding van hiv, malaria en ondervoeding neemt nu al af, terwijl de budgetten voor de pandemie-industrie groeien. De onderzoekers van Leeds en Bell pleiten daarom voor volledige transparantie en een eerlijke heroverweging van wereldwijde gezondheidsprioriteiten.
De onderzoekers van Leeds vragen om eenvoudige transparantie bij het stellen van wereldwijde gezondheidsprioriteiten. De Australische regering kan namens de belastingbetaler beter eisen, schrijft Bell, of door meegaandheid deel van het probleem blijven.

